‘De wereld is niet eenduidig, die moet je ook niet eenduidig proberen te verbeelden.’
Herrie van Vliet (Leidschendam, 1952) is al ruim veertig jaar actief als beeldend kunstenaar. Schilderkunst is zijn voornaamste medium, maar in periodes wijdt hij zich ook aan beeldhouwen, voornamelijk in steen en keramiek. Figuren en landschappen zijn Van Vliets voornaamste onderwerpen, die hij in een expressieve, kleurrijke en abstracte schilderstijl, snel met acryl of olieverf, op doek neerzet. Zijn manier van schilderen – fragmentarisch, direct en wild – is een vertaling van hoe hij de wereld om zich heen ervaart. De invloed van inspirerende voorgangers als Willem de Kooning (1904-1997), Frank Auerbach (1931) en Chaïm Soutine (1893-1943) is duidelijk zichtbaar.
Al op jonge leeftijd ontwikkelt Van Vliet een interesse in tekenen en schilderen. Zijn, naar eigen zeggen, gebrek aan technische vaardigheid, staat een onbevangen plezier in het creëren aanvankelijk in de weg. Aanmoedigingen van zijn docent tekenen op het priestersinternaat waar hij als tiener op zit, geven hem uiteindelijk het zelfvertrouwen om zijn droom na te streven. Het idee om naar de kunstacademie te gaan ontstaat. Hij wordt echter niet aangenomen op de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag en besluit, na een paar zielzoekende jaren, naar de Sociale Academie te gaan. Naast zijn werk in de psychiatrie doet Van Vliet verschillende cursussen in landschap- en model-schilderen. De ambitie om meer te worden dan een hobbyschilder zet hem er in 1988 uiteindelijk toe aan zich aan te melden voor een deeltijdopleiding aan de Vrije Academie in Den Haag. Toenmalig directeur Bob Bonies (1937) laat hem toe op voorwaarde dat hij alles vergeet wat hij tot dan toe heeft geleerd. Hij krijgt onder andere les van Wil Bouthoorn (1916-2004). Deze Haagse schilder probeerde de versplinterde naoorlogse wereld in zijn schilderijen te verbeelden, waarin hij zich onderscheidde van zijn tijdgenoten gelieerd aan de CoBrA-groep, die met hun intuïtieve, vrije manier van werken juist wilde afrekenen met het verleden. Van Vliet heeft grote bewondering voor het werk van Bouthoorn en diens advies “durf vuile kleuren te gebruiken” volgt hij op. Zijn werk wordt vanaf dit moment ook abstracter.
In de werken uit Van Vliets academietijd (1988-1990) is duidelijk zijn onderzoek naar verschillende abstracte benaderingen zichtbaar. Hij maakt in deze tijd een serie schilderijen met geabstraheerde figuren, bestaand uit grote kleurvlakken tegen een contrasterende achtergrond. In andere werken laat hij de gedachte dat het schilderij een middelpunt moet hebben los, wat resulteert in levendige kleurencomposities die het hele doek beslaan. Op dit laatste spoor gaat Van Vliet door. Zijn werken worden steeds fragmentarischer en abstracter, hoewel er in zijn werk vaak nog wel de suggestie van een landschap, lichaam of de combinatie van die twee zichtbaar blijft. Een gezin en een veeleisende baan maken dat hij de Vrije Academie uiteindelijk vroegtijdig moet verlaten. Daarna volgt hij nog wel verschillende cursussen bij de kunstenaarsvereniging Ars Aemula Naturae in Leiden, onder andere bij de schilder en musicus Burkhardt Söll (1944). Ook houdt hij een atelierruimte en blijft hij op constante basis door schilderen.
Met beeldhouwen begint Van Vliet na een verhuizing naar Drenthe, waar hij atelierruimte krijgt bij een bevriende beeldhouwer Hugo Galama. Op deze nieuwe plek krijgt hij niet alleen praktisch, maar ook geestelijk de ruimte om zich op een ander medium toe te leggen. Waar hij voorheen sporadisch had geëxperimenteerd met ruimtelijk werk, legt hij nu het schilderen voor een tijd volledig naast zich neer om zich verder te bekwamen in beeldhouwen. Hij maakt onder andere Möbiusband-achtige sculpturen, die je op verschillende kanten neer kunt zetten. Net als in zijn schilderijen is de geabstraheerde vrouwfiguur een terugkerend thema. In feite staan de sculpturen van Van Vliet niet zover af van zijn tweedimensionale werk. Hij hanteert in beide media dezelfde vormentaal.
Er is tenslotte nog één genre in het oeuvre van Van Vliet, dat enigszins apart staat van de rest van zijn werk: portretten. Al sinds de eerste jaren dat hij begint met schilderen maakt Van Vliet portretten, eerst van vrienden, geliefden, collega’s en psychiatrische patiënten, later vaker van zichzelf. Tussen 2002 en 2003 maakt hij een reeks zelfportretten, waarin zijn gezicht steeds verder in de massa van kleuren verdwijnt. Sinds 2019 heeft Van Vliet zich nadrukkelijker op portretten toegelegd. Naast portretten van mensen uit zijn omgeving maakt hij ook veel portretten op basis van foto’s van kunstenaars en schrijvers die hem inspireren. Zo maakte hij een hele serie portretten van de schrijver Jan Wolkers. Door de herhaling probeert Van Vliet zich te trainen om niet meer met de techniek bezig te zijn, maar om in een paar stroken een gezicht neer te zetten.
Wie terugkijkt op veertig jaar werk ziet dat Van Vliet schatplichtig is aan meerdere belangrijke namen uit de kunstgeschiedenis. Het heldere kleurgebruik en expressieve schildergebaar van Willem de Kooning, de dikke, woeste verflagen van Frank Auerbach, de vlakverdeling van Paul Cézanne (1839-1906), de indringende portretten van Lucian Freud (1922-2011). Van Vliet verdiept zich niet alleen in de technieken van deze kunstenaars, maar ook in hun biografie en kunsthistorische context. Dit draagt ongetwijfeld bij aan de verdieping van zijn eigen werk.